Voor een baas deed je het niet

Kahta

Van Mardin naar Kahta (Oost Turkije) was een rit van enkele honderden kilometers. We namen de bus. Ongelooflijk, de hele rit ging door graanvelden, uur na uur niets dan goudgele halmen. Ik kon achteraf nergens achterhalen wat de totale graanproductie van Turkije was, maar het moet enorm zijn. De enige afwisseling in het wuivende landschap waren de pistachebomen.
Ook al duurde het erg lang voor ik dat doorhad, nooit eerder had ik er bij stilgestaan dat deze kleine nootjes van enorme bomen afkwamen.

Inmiddels wisten we hoe we het vervoer aan moesten pakken en vroegen de buschauffeur ons bij een geschikt pension af te zetten. We vertrouwden er volledig op dat hij wist wat de gemiddelde toerist wenste en waar we daarvoor moesten zijn. Natuurlijk klopte dit als een bus en hij zette ons af bij een vervallen pension in Kahta. (zodra je de douche aanzette kwam er water uit het plafond.) Groot voordeel was dat de eigenaar zelf trips organiseerde naar Memrud Daĝı. Oftewel, naar de berg Memrud, met zijn wereldberoemde zetels, en daar kwamen we voor.

De berg Nemrut werd gekozen als verblijfplaats van de goden in de eerste eeuw voor Christus toen het onderdeel was van Commagene. Dit kleine koninkrijk lag in het oosten van het huidige Turkije en bestond als onafhankelijk gebied van ca.163 voor Chr. tot 72 na Chr.

Nog voor het licht werd moest ik mijn bed uit om de trip naar de berg te maken. Blijkbaar zijn ze daar van mening dat het voor de gemiddelde toerist een meerwaarde heeft deze plek bij zonsopgang te bekijken. Lekker spiritueel waarschijnlijk. Geloof me, zo eind mei was dat onmenselijk vroeg. Een minibus sleepte ons in het aardedonker de berg op, waar we eindelijk boven, in een verwarmd betonnen hok thee kregen aangeboden. De tempel stond een stuk hogerop en die moesten we op eigen kracht bereiken. We kwamen er al snel achter dat we pas verder mochten na groen licht van de leiding ter plaatse.

Langzaam zagen we de lucht grijs worden in het oosten en zodra er voldoende zicht was mochten we op pad. Er volgde een moordende klim over een eeuwenoude uitgesleten trap, die zich langs de bergwand slingerde. Het wachten op voldoende daglicht leek ineens geen overbodige luxe.

We bevonden ons inmiddels op meer dan 2200 meter hoogte, de zon was nog niet echt op en er stond een snijdende wind. Al voor ik helemaal boven arriveerde rilde en schudde ik aan alle kanten. Waarom kon dit niet om een uur of elf? Het was de dag ervoor meer dan veertig graden geweest in Kahta. Dit moest comfortabeler kunnen, stelde ik al worstelende met de oude treden vast.

Eindelijk stond ik met brandende kuiten boven en keek toe hoe de zon over de bergen gluurde. Het moment was prachtig, maar ik had het inmiddels zo koud en de wind blies zo hard, dat ik niet eens kans zag mijn camera stil te houden. Alleen verscholen achter een groot rotsblok of beeld, zag ik kans een paar foto’s te maken. Ergens baalde ik hiervan. Er liepen mensen rond, die zich compleet in dekens hadden gewikkeld, het lag echt niet aan mij, iedereen zag af.

De berg zelf omschrijven is niet goed mogelijk, deze zetel van de goden was zo indrukwekkend, dat diegene, die meer willen weten beter de website bezoeken http://nemrud.nl/ Feit is dat de hele bergtop was aangepast en dat daarvoor 1500 kubieke meter rots was weggehaald. Het meest opvallende was dat niemand precies wist waar deze prachtige plek voor diende, ik hoorde overal om mij heen een andere uitleg.

Veel eerder dan ik normaal gedaan zou hebben, daalde ik de lange trap af, wel genoot ik van het uitzicht. Ik bevond me immers op de bakermat van onze beschaving. Terwijl ik er zo van bovenaf op keek en de vele bergmeren en rivieren aanschouwde, hoefde ik me alleen nog maar de bomen voor te stellen, die hier vroeger in grote aantallen stonden en er was maar een conclusie: Het moest er toetertijd goed toeven zijn geweest.

Op de terugweg volgde er een prachtige toegift. In een bocht van de weg, daar waar water uit een steile kloof onder de weg door stroomde stopten we. Een rustiek plekje waar ik graag even in de zon opwarmde van de ervaring op de berg. Al snel bleek dit niet het doel van de stop. Bovenop de steile rots stond een waar fort. Het bevond zich zo hoog en zag er zo onbereikbaar uit, dat ik me kon voorstellen dat vanaf die plek de vallei eronder uitstekend te verdedigen was. Ik liep wat rond en ontdekte de uit de rots gehouwen trap die loodrecht naar boven ging. Mijn hart ging uit naar die arme boogschutter, die in die tijd, voor zijn dienst naar boven moest klimmen. Ook bedacht ik me dat ze voor hun watervoorraad vast aangewezen waren op het stroompje waar ik naast stond.

Dit moois stond bovenop het puntje van de berg hierboven.