Een lastig pakket

Het postkantoor in Hirson is goed te vinden. Ik draai de tegenoverliggende parkeerplaats op en zoek een plek. Met wat moeite wurm ik mijn wagen achteruit tussen een muurtje en de openbare weg. Niet helemaal volgens de regels, maar als ik om me heen kijk valt me op dat er geen enkele auto binnen de lijnen van een parkeervak staat. Die Fransen nemen het leven gelukkig niet zo serieus. Vol goede moed steek ik de straat over en stap een overvol postkantoor binnen.

In mijn handen heb ik een doosje, daarin zit een oplader van een computer. Iemand heeft die na de laatste workshop ‘LekkerSchrijven’ laten liggen en dit onmisbaar stukje techniek moet naar een camping in Zwitserland. Het doosje is de voormalige verpakking van mijn navigatiesysteem. Om te zorgen dat niemand het in zijn hoofd haalt een tomtom achterover te drukken, heb ik het onherkenbaar ingepakt en op de hoeken verstevigd met tape. Verder heb ik twee kladpapiertjes bij me met het adres van bestemming en mijn adres hier in Frankrijk. Ik spreek namelijk geen woord Frans. Een nieuwe taal leren heb ik simpelweg de puf niet voor. Te meer ik niet van plan ben voorgoed te blijven. Mijn voorbereiding moet genoeg zijn voor een van de medewerkers om het pakje op weg te krijgen.

Na een lange wachttijd ben ik eindelijk aan de beurt. Een zure tang van ver in de vijftig kijkt mij over haar leesbril onverzettelijk aan. Met een verontschuldigende glimlach zeg ik dat ik geen Frans spreek en haar hulp behoef. Ze pakt het pakje aan en mikt het op een weekschaal. Vervolgens vraagt ze mij in rap Frans iets waaruit ik opmaak dat ze wil weten wat erin zit. Met veel gedoe krijg ik dit duidelijk. Dan wil ze weten of het verzekerd moet. Nee, dank u. Of ik een factuur heb. Nee, natuurlijk heb ik die niet. Het ding is niet van mij en zeer zeker niet nieuw. Ongelovig kijkt ze me aan, ze heeft echt een factuur nodig. Ze geeft me het gevoel dom te zijn. Waarom moet er een rekening zijn! Ik krijg het niet duidelijk dat ik dat niet heb en ze laat merken dat ik in haar ogen bijzonder lastig ben. Iedereen heeft blijkbaar hier van alles een factuur. Het zal wel, ik raak langzamerhand wat geïrriteerd. Ze hoeft er alleen maar een paar postzegels op te plakken en weg ermee. Wat is daar zo lastig aan?

Met weemoed denk ik terug aan mijn jaren in Turkije, mijn gedachten gaan naar de vriendelijke man in het Turkse postkantoor, die vulde met eindeloos geduld alles voor me in tot ik het Turks machtig was.
Op de bluf ga ik weer in de rij staan. Het is iets minder druk en ik ben al snel aan de beurt. Natuurlijk moet ik weer naar die zure. Dat dus nooit. De meneer naast mij laat ik galant voor gaan. Hij snapt er niets van maar loopt gretig naar de balie, blij met zijn mazzel. Ik mag nu naar de vriendelijker uitziende dame. Ze begrijpt zowaar mijn probleem en vult zonder morren de ontbrekende informatie in. Het pakje gaat weer op de weegschaal en ik haal opgelucht adem. Te vroeg…

Er moet een soort verzendstikker op het pakje. De vrouw slaat haar ogen op en zucht. De stikker is groter dan mijn pakket en dat mag blijkbaar niet. Ik vraag met armgebaren of zij geen groter pakket verkoopt. Dat is niet ongebruikelijk voor een postkantoor, toch? Haar ogen lichten op en ze verdwijnt achter een scherm. Bij terugkeer kan ik aan haar houding zien dat er iets niet in orde is. Ze houdt een enorm pak op, waar zeker tien boeken in kunnen. Kleiner heeft ze niet. Droevig bedenk ik dat het mijn dag niet is. Het grote pak kost achtentwintig euro om te versturen. Ook zij ziet in dat dat echt belachelijk is voor mijn oplader. Ik pak alle papieren bij elkaar en keer terug naar de auto. Puf om te vloeken heb ik niet. Verslagen door het postkantoor, ik kan wel janken van frustratie.

Alle snelheidsbeperkingen negerend arriveer ik twintig minuten later thuis. Na een bak koffie keert mijn strijdlust terug. Met de stikker in de aanslag haal ik de boel overhoop. Er moet iets zijn dat de oplader kan bevatten en waar die klote stikker oppast. Na enig zoeken lukt het me en ik ga weer op weg naar Hirson.
Wederom sta ik in de rij, naast mij staat een jong stel met een kinderwagen. De baby is niet blij en schreeuwt de hele boel bij elkaar. Ik knik vriendelijk naar de jonge moeder die me verontschuldigend aankijkt.
Ik word helemaal vrolijk als ik zie dat het die zure blijkbaar bijzonder ergert. Tot mijn genoegen kan het postkreng zich niet langer inhouden en ze vraagt de mensen naar buiten te gaan. Ten minste, dat is wat ik eruit begrijp.  De jonge ouders kijken elkaar eens aan en blijven staan. De baby blijft de longen trainen. Die zure blikt ondertussen giftig tussen de kinderwagen en haar klant heen en weer. Het is duidelijk dat ze zich niet veel langer kan inhouden. De baby zet nog eens flink aan en ja hoor.  Ze verlaat pinnig haar post en komt via een tussendeur weer tevoorschijn. Ze sommeert het jonge stel het postkantoor te verlaten. Wat deze mensen zonder weerwoord doen!

O! Wat zou ik me er graag tegenaan bemoeien. Als ik maar Frans kon. Wat zou ik die tang voor schut zetten met een paar rake opmerkingen. Jammer genoeg kan ik dit niet en behoor ik tot mijn spijt nu ook tot die massa die alles maar laat gebeuren. Ahhhggg!
Die postpitbull beent terug naar haar plek achter de balie en alles is als voorheen. De aardige mevrouw ziet me staan en wenkt me naar voren. Ze maakt mijn dag goed. Ook in Frankrijk zijn er ruimhartige klantvriendelijk mensen. Ik voel mijn schouders ontspannen.

De stikker past, de informatie is compleet en ze lacht me begripvol toe. Afrekenen en wegwezen. Terug in de auto neem ik me voor om in elk geval de beginselen van de Franse taal te leren.